Inloggen

Uitspraak rechtbank in euthanasie strafzaak:

Specialist ouderengeneeskunde ontslagen van alle rechtsvervolging


Update 27 september 2019:
>> OM naar Hoge Raad in euthanasiezaak

13 september 2019 - Op woensdag 11 september 2019 deed de rechtbank Den Haag uitspraak in de strafzaak waarin een specialist ouderengeneeskunde werd vervolgd voor levensbeëindiging op verzoek (euthanasie) en subsidiair moord dan wel doodslag. Dit omdat zij volgens het OM niet aan alle in de wet neergelegde zorgvuldigheidseisen voor het verlenen van euthanasie zou hebben voldaan. 

De rechtbank acht bewezen dat de arts het leven van de demente patiënte op haar uitdrukkelijk en ernstig verlangen heeft beëindigd door het verlenen van euthanasie. Bij het uitvoeren hiervan heeft de arts zich volgens de rechtbank gehouden aan alle zorgvuldigheidseisen zoals die zijn opgenomen in de Euthanasiewet (Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding).

Levensbeëindiging op verzoek (artikel 293 wetboek van Strafrecht) is door de rechtbank bewezen verklaard, maar omdat de arts voldaan heeft aan alle zorgvuldigheidseisen voor euthanasie en melding van de euthanasie gedaan heeft aan de gemeentelijk lijkschouwer, is het bewezenverklaarde naar het oordeel van de rechtbank niet strafbaar. De arts wordt ontslagen van alle rechtsvervolging. 

Deze uitspraak is een unicum, omdat het OM voor het eerst sinds de invoering van de Euthanasiewet in 2002 over is gegaan tot strafrechtelijke vervolging van een arts na uitvoering van een euthanasie die door de Regionale Toetsingscommissie Euthanasie (RTE) als “niet voldaan aan alle zorgvuldigheidseisen” werd bestempeld. 

De casus

In deze zaak werd een specialist ouderengeneeskunde, die op 22 april 2016 euthanasie uitvoerde bij een 74-jarige diep demente patiënte strafrechtelijk vervolgd. De patiënte was wilsonbekwaam. 

Vlak nadat patiënte de diagnose Alzheimer kreeg, tekende zij een euthanasieverzoek. Enige tijd later schreef en ondertekende zij een herziene wilsverklaring, waarin zij onder andere aangaf dat zij gebruik wilde maken van haar wettelijke recht om euthanasie toe te passen wanneer zij de tijd daarvoor rijp zou achten. Verder gaf patiënt in deze verklaring aan dat zij beslist niet geplaatst wilde worden in een instelling voor demente bejaarden. 

In januari 2016 was patiënte voor het laatst bij de huisarts. Ze was toen niet meer wilsbekwaam. In maart 2016 werd patiënte opgenomen in een verpleeghuis waar de specialist ouderengeneeskunde toen werkte. De arts heeft toen niet alleen het medisch dossier van patiënte doorgenomen, maar ook gesprekken met onder meer patiënte, met de huisarts, met het behandelteam in het verpleeghuis en met de familie gevoerd. De arts heeft over de toestand van patiënte (diep dement en medicijnen om haar toestand wat te verlichten hielpen niet) het oordeel ingewonnen van twee SCEN-artsen (onafhankelijke artsen), die geoordeeld hebben dat het euthanasieverzoek van patiënte aan alle wettelijke eisen voldeed. Op 22 april 2016 heeft de arts patiënte euthanasie verleend en melding daarvan gemaakt aan de gemeentelijk lijkschouwer, waarna de zaak conform standaard praktijk ter toetsing aan de RTE werd voorgelegd. 
Share op Whatsapp Share op Facebook Share op Twitter Share op LinkedIn Stuur via email

Toetsingsproces na euthanasie

Klik door voor de complete infographic en toelichting door Jacob Kohnstamm (Regionale Toetsingscommissies Euthanasie), VvAA-jurist Jet Meijwes en VvAA-advocaat Valéry Daniels.

Preview Toetsingsproces na euthanasie

Oordeel RTE en tuchtcollege

De RTE oordeelde dat de arts vanwege de niet eenduidige wilsverklaringen niet tot de overtuiging had mogen komen dat er sprake was van een vrijwillig en weloverwogen verzoek tot euthanasie van de patiënte en dat de euthanasie niet zorgvuldig was uitgevoerd. De arts had zonder patiënte daarover in te lichten dormicum in haar koffie gedaan als sedativum alvorens de euthanasie uit te voeren en had patiënte niet verteld dat de euthanasie uitgevoerd zou gaan worden.

Nadat de RTE tot de conclusie “niet voldaan aan de zorgvuldigheidseisen” was gekomen is de zaak – ook weer conform standaard procedure - voorgelegd aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en aan het college van Procureurs Generaal (hoogste college van het OM). 

De IGJ besloot een tuchtklacht tegen de arts in te dienen. Het Regionaal Tuchtcollege oordeelde in lijn met de RTE en legde de arts een berisping op. De arts ging hiertegen in beroep en daarin kwam het Centraal Tuchtcollege tot een lichtere maatregel, namelijk een waarschuwing. Dit omdat de arts maar beperkt verwijtbaar gehandeld heeft en er in de gegeven context geen sprake is geweest van laakbaar handelen (vereiste voor een berisping). Inhoudelijk oordeelde het Centraal Tuchtcollege dat de wilsverklaringen onvoldoende duidelijk zijn ten aanzien van het moment waarop patiënte euthanasie wenste. Dit betekent dat niet geoordeeld kan worden dat er voldaan is aan de eis van een vrijwillig en weloverwogen verzoek tot euthanasie. 

Ook onderschrijft het Centraal Tuchtcollege het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege op het punt van de uitvoering van de euthanasie. Het Centraal Tuchtcollege overweegt in de uitspraak d.d. 19 maart 2019 dat “de wilsonbekwaamheid van patiënte de arts er niet van had mogen weerhouden op zijn minst te proberen met patiënte te praten over het concrete voornemen haar leven te beëindigen en over het voornemen voorafgaand aan de uitvoering een slaapmiddel in haar koffie te doen.” 

Ook is in de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege te lezen: “Het ligt in de rede dat een arts vanuit het oogpunt van goed hulpverlenerschap de premedicatie zodanig toedient dat daardoor geen onrust bij de patiënt ontstaat, zoals thans ook beschreven in de EuthanasieCode 2018. Op zichzelf lijkt het voorts weinig zinvol en geen redelijk doel te dienen met een volledig wilsonbekwame patiënt het voornemen tot uitvoering van euthanasie en het moment en de wijze waarop dit gaat gebeuren te bespreken. Niettemin betekent het bespreken, althans een poging daartoe, van zowel het voornemen tot als het moment waarop de euthanasie zal worden uitgevoerd onmiskenbaar een toevoeging aan de vereiste zorgvuldigheid van die uitvoering en om die reden mag dit, ook bij een volledig wilsonbekwame patiënt, in beginsel niet achterwege blijven.” 

Standpunt OM

Na een strafrechtelijk onderzoek door het college van Procureurs Generaal kwam het OM tot het oordeel dat de arts onder andere niet volgens de normen en de wettelijke zorgvuldigheidseisen gehandeld heeft door enkel te vertrouwen op de wilsverklaring van patiënte en niet meer te verifiëren bij de patiënte of ze nog steeds dood wilde. Het OM is van oordeel dat de specialist ouderengeneeskunde nadrukkelijker met de vergevorderd demente patiënte in gesprek had moeten gaan. De rechtbank is het op dit punt echter niet eens met het OM. 

Oordeel rechtbank 

In de uitspraak d.d. 11 september 2019 van de rechtbank Den Haag staat:
“De rechtbank is van oordeel dat, gegeven de diep demente toestand waarin de patiënte zich inmiddels bevond, op de verdachte niet de plicht rustte te informeren naar de actuele levens- of stervenswens van de patiënte. Daarmee wordt een eis gesteld die de wet niet kent. De specifieke positie van de wilsonbekwame patiënt brengt met zich dat mondelinge verificatie van zijn wens en zijn lijden niet mogelijk is. Met die eis zou afbreuk worden gedaan aan de wilsverklaring, die nu juist bedoeld is voor de situatie dat datgene die de wilsverklaring heeft afgegeven in een situatie van ondraaglijk en uitzichtloos lijden zal geraken en niet langer in staat is zijn wil te uiten.”

De rechtbank die bij euthanasie gaat over de juridische vragen die in dat kader spelen, overweegt in de uitspraak ook ermee bekend te zijn dat in de medische wereld richtlijnen zijn opgesteld over het medisch handelen bij euthanasie waarin het standpunt wordt ingenomen dat de behandelend arts ook bij wilsonbekwamen nog wel moet proberen het standpunt van de patiënt over diens actuele euthanasiewens te verifiëren. Dat standpunt is echter – zo geeft de rechtbank aan – zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis, strenger dan de wet. De rechtbank vermag de noodzaak niet in te zien om met een wilsonbekwaam iemand met een euthanasieverklaring te gaan spreken over zijn of haar in die verklaring aangegeven stervenswens, laat staan dat daar een juridische plicht toe bestaat.

Een aantal voor de praktijk belangrijke conclusies

 Voor de praktijk zijn uit het oordeel van de rechtbank een aantal belangrijke conclusies te trekken:
 
  1. Een schriftelijke wilsverklaring die is opgesteld in de fase waarin de patiënt nog wilsbekwaam was, heeft grote waarde. Het is bezien vanuit het strafrecht voor de arts niet verplicht bij een wilsonbekwame patiënt met een eenduidige schriftelijke euthanasieverklaring te informeren naar de actuele levens- of stervenswens. LET OP: voor de tuchtrechter is het nog wel aangaan van het gesprek met de patiënt hierover wel een verplichting (zie wat hiervoor is aangegeven over de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege. Dus om niet tuchtrechtelijk verwijtbaar te handelen (als daar een klacht over is geuit) moet de arts het gesprek met de wilsonbekwame patiënt over de actuele stervenswens wel voeren.
  2. Het gebruik van premedicatie om patiënt te sederen voorafgaand aan het uitvoeren van de euthanasie, maakt de uitvoering van de euthanasie niet onzorgvuldig. Euthanasie moet op een voor de patiënt zo comfortabel mogelijke manier gebeuren. Premedicatie kan wenselijk zijn als er bij een wilsonbekwame patiënt aanwijzingen zijn (zoals in deze casus) dat onrust, agitatie of agressie kan ontstaan bij de daadwerkelijke uitvoering van euthanasie.
Jacob Kohnstamm, de landelijk voorzitter van de RTE’s, laat in een artikel in de Volkskrant d.d. 12 september 2019 optekenen dat de rechter niet alleen anders oordeelt dan de RTE over het vooraf doen van een slaapmiddel in de koffie van patiënte om haar rustig te maken (toegestaan in casu volgens de rechtbank), maar ook anders oordeelt over de wilsverklaring. “Wij (lees: de RTE) namen de letterlijke tekst van de wilsverklaring als uitgangspunt, maar volgens de rechter gaat het om de context, de betekenis ervan zoals zij die met haar huisarts heeft besproken toen zij nog wilsbekwaam was. Daaraan moeten we ons nu conformeren.” aldus Kohnstamm.

Aan het eind van de uitspraak merkt de rechtbank op dat zij zich kan voorstellen dat het voor de arts een hard gelag is dat zij zich geconfronteerd ziet met een beschuldiging van moord terwijl zij – in de ogen van de officier van justitie – heeft voldaan aan vrijwel alle belangrijke zorgvuldigheidseisen en haar van het overtreden van één belangrijke zorgvuldigheidseis slechts een beperkt verwijt kan worden gemaakt omdat die eis onvoldoende duidelijk en kenbaar in de wet was neergelegd. Onder zulke omstandigheden doet een beschuldiging van moord geen recht aan het integere en transparante handelen van de arts, aldus de rechtbank.

Het OM heeft 14 dagen de tijd om te beslissen al of niet beroep in te stellen bij het Gerechtshof.  
Lees hier de uitspraak 'Ontslagen van alle rechtsvervolging'