Succesfactoren bij substitutie

"Substitutie is toch vooral mensenwerk"

Marc Bruijnzeels, directeur Jan van Es Instituut

Begin november maakten VvAA voor Zorgondernemingen en het Jan van Es Instituut (JvEI) de eerste voorlopige uitkomsten bekend van hun gezamenlijke onderzoek naar succesvolle substitutie. Welke factoren zijn van invloed op een succesvolle spin-off van een substitutie-initiatief? JvEI-directeur Marc Bruijnzeels: ‘Wat we zien is dat de mate van succes van substitutie vooral afhangt van het commitment en de creativiteit van de betrokken mensen.’

In het onderzoek worden in totaal 10 bestaande regionale substitutie-samenwerkingen geanalyseerd. Bijzonder is dat er interviews worden gehouden met zowel professionals uit de eerste lijn en de tweede lijn als met de betrokken verzekeraars. Ook worden er meer kwantitatieve vragenlijsten ingevuld.

Bruijnzeels: ‘We hebben nu ongeveer de helft van de interviews gedaan, met respondenten uit de eerste lijn, tweede lijn en van verzekeraars. We zien nu al vijf succesfactoren die zich aftekenen.’

Succesfactor 1
‘Alle betrokken besturen moeten zich aan de substitutie committeren. Als een van de partijen niet wil, gaat het niet of op zijn minst minder snel. Het is wat dat betreft gewoon ouderwets mensenwerk: het gaat om de chemie tussen partijen. De gemeenschappelijke ambities kunnen nog zo mooi zijn, als er geen chemie is, komt er niets van de grond.’

Succesfactor 2
‘Stel professionals in de lead. Maak bijvoorbeeld niet van tevoren uitgedachte lijstjes leidend. Waar vinden overbodige handelingen plaats, waar kan geld worden bespaard? Vaak wordt gedacht dat professionals daar niet naar kijken maar niets is minder waar, zo blijkt in deze initiatieven. Geen enkele specialist wil een onnodig dure DOT openen voor een patiënt die eigenlijk ergens anders sneller en voordeliger behandeld kan worden. Als je kunt aansluiten bij die intrinsieke motivatie, komt dat het initiatief ten goede.’

Succesfactor 3
‘Er is ruimte nodig om te kunnen experimenteren. Binnen het bestaande systeem met verzekeraars, rvt’s, de inspectie, NZa moeten soms de grenzen worden opgezocht, of iets worden opgerekt. Dat vraagt om creativiteit en een lange adem, en elkaar durven uitdagen.’

Succesfactor 4
‘Een goede relatiebeheerder. Iemand die als actieve spil in de regio de onderlinge relaties goed houdt. Dit hoeft niet per se een onafhankelijk persoon te zijn, als hij of zij maar toegewijd is aan deze taak.’

Succesfactor 5
‘Een lange samenwerkingshistorie is een belangrijke voorwaarde voor succes. Het gaat om wederzijds vertrouwen. Bouw voort op wat je hebt met elkaar. Als er geen samenwerkingshistorie is, dan moet je eigenlijk daarin eerst investeren, voordat je überhaupt gaat starten met substitutie. Wat men vervelend vindt, is het in- en uitvliegen van mensen binnen een substitutie-initiatief. Met name bij verzekeraars en bestuurders zijn er nog wel eens personele wisselingen. Een steady kernteam werkt het beste.’


Wat vindt Bruijnzeels zelf van deze uitkomsten? ‘Het is geen rocket science, maar ik denk dat wij met de uitkomsten van dit onderzoek juist heel goede, pragmatische handvatten kunnen bieden aan de mensen in het veld. Om net even anders te kijken en andere accenten te leggen. Zo kunnen we bijdragen aan meer succesvolle substitutie-initiatieven.’

Het onderzoek is naar verwachting eind 2015 afgerond; dan zullen de definitieve uitkomsten bekend worden gemaakt.