Inloggen

Hoogste rechter draait doorhalen BIG-registratie fysiotherapeut terug

VvAA: Uitspraak van groot belang voor BIG-geregistreerden

7 december 2020 - Een fysiotherapeut diende door een ernstig auto-ongeluk te laat haar aanvraag voor BIG-herregistratie in, waarna haar registratie werd doorgehaald. Onlangs won ze, tegen alle verwachtingen in, de rechtszaak die zij met hulp van Stichting VvAA Rechtsbijstand aanspande.  

De hoogste bestuursrechter oordeelde dat de minister van Medische Zorg ten onrechte de aanvraag voor herregistratie niet had behandeld en ten onrechte haar registratie had doorgehaald. Een zaak van principieel belang voor alle BIG-geregistreerde zorgprofessionals die door overmacht hun aanvraag-herregistratie niet tijdig hebben kunnen indienen en zijn doorgehaald.


Ernstig auto-ongeluk

In december 2018 kreeg de fysiotherapeut een ernstig auto-ongeluk met een zware hersenschudding tot gevolg. Ze was langere tijd niet in staat om normaal te praten, communiceren of inhoudelijke stukken te lezen of beoordelen. Met als resultaat dat de fysiotherapeute de deadline van de uiterste indieningsdatum van 3 februari voor haar aanvraag herregistratie 2019 niet haalde.


Doorhaling registratie

De minister van Medische Zorg besloot op grond van art. 2 van het Besluit periodieke registratie Wet BIG, de te laat ingediende aanvraag niet in behandeling te nemen. Omdat de registratietermijn van 5 jaar was verlopen en de aanvraag niet binnen deze periode was ingediend besloot de minister tot doorhaling van de registratie van de fysiotherapeute.

“Een besluit met een enorme impact voor de fysiotherapeut die juist was gestart als zelfstandige, aldus Timo van Oosterhout, advocaat Stichting VvAA Rechtsbijstand, die de fysiotherapeute bijstond in deze kwestie. “Gezien haar persoonlijke omstandigheden vond ze het onredelijk dat haar aanvraag niet in behandeling was genomen, met alle gevolgen van dien. Ze besloot tot een gang naar de rechter om behandeling van haar aanvraag af te dwingen en wij stonden haar bij.”


Twee herinneringen

Een van de argumenten die een belangrijke rol speelde in het betoog van de minister, was dat de fysiotherapeut twee herinneringen voor herregistratie had ontvangen en een half jaar de tijd had gehad om de aanvraag in te dienen. Ook was de minister van mening dat de fysiotherapeute iemand anders had kunnen vragen om haar belangen te behartigen zodat de aanvraag tijdig zou zijn ingediend. Maar, zoals veel zorgverleners, had de fysiotherapeute bewust de aanvraag kort voor de uiterste indieningsdatum gepland, zodat zij nog zoveel mogelijk uren kon maken om aan haar urennorm te komen. Dit was extra hard nodig omdat zij als gevolg van eerdere operaties nog onvoldoende uren had kunnen maken. Daarnaast kon zij zeer slecht uit haar woorden komen, laat staan dat ze iemand anders een inhoudelijke opdracht als de aanvraag voor een herregistratie kon geven.


Hoogste rechter

In eerste instantie stelde de rechter de minister in het gelijk. Daarop ging de fysiotherapeut in beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak, de hoogste bestuursrechter. Deze oordeelde dat de minister de aanvraag had moeten behandelen en ten onrechte tot doorhaling van de registratie was overgegaan. Naar zijn oordeel had de fysiotherapeut geen rekening hoeven houden met de mogelijkheid dat zij een zwaar auto-ongeluk zou krijgen waardoor zij niet meer in staat zou zijn tijdig een aanvraag bij de minister in te (laten) dienen.


Van belang voor alle BIG-geregistreerden

Timo van Oosterhout: “De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde dat de minister in deze bijzondere omstandigheden niet had mogen vasthouden aan strikte toepassing van de indieningstermijn. De toepassing daarvan had voor de fysiotherapeut onevenredig nadelige gevolgen en was bovendien in geen enkel opzicht noodzakelijk om de patiëntveiligheid te beschermen. Een principiële uitspraak die niet alleen van belang is voor de fysiotherapeut. Voor álle BIG-geregistreerde zorgverleners die in het geval van een overmacht-situatie te laat een herregistratie-aanvraag indienen, is er meer ruimte ontstaan om definitieve doorhaling te voorkomen.”

>> Naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak