Hoge Raad brengt licht in de duisternis van de billijke vergoeding in het arbeidsrecht

06 juli 2017 - De Hoge Raad heeft enkele dagen geleden een voor het arbeidsrecht belangrijk arrest gewezen over de omvang van de billijke vergoeding die door een werknemer kan worden gevorderd als die in strijd met de wettelijke regels is ontslagen.

Sinds 2015 heeft iedere werknemer die langer dan twee jaar in dienst is en wiens arbeidsovereenkomst eindigt op initiatief van de werkgever in beginsel recht op de wettelijke transitievergoeding. Bij het berekenen van de hoogte van die vergoeding wordt geen rekening gehouden met eventuele verwijtbaarheid. Er wordt gebruik gemaakt van een vaststaande formule waarbij onder andere de leeftijd en de lengte van het dienstverband van de werknemer een rol spelen. De billijke vergoeding is een additionele vergoeding die ook naast de transitievergoeding aan een werknemer kan worden toegekend. Daarvoor geldt een strenge toets, er moet namelijk sprake zijn van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten.

Voor het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding geldt geen formule. De rechter is volledig vrij om de hoogte daarvan te bepalen. Tot vorige week was het dan ook onduidelijk met welke omstandigheden rekening moet worden gehouden en werd door de rechterlijke macht in Nederland zeer diverse billijke vergoedingen toegekend.

Nu is er eindelijk enig licht in de duisternis. In de wetsgeschiedenis is opgemerkt dat de hoogte van de billijke vergoeding naar haar aard in relatie zal staan tot het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever en niet tot de gevolgen van het ontslag. Die gevolgen worden geacht al te zijn verdisconteerd in de transitievergoeding. De hoogste rechter in Nederland, de Hoge Raad, heeft echter gemeend dat hieruit niet kan worden afgeleid dat de gevolgen van het ontslag bij het vaststellen van de billijke vergoeding geen rol mogen spelen. Dat mag dus wel, maar alleen voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan de werkgever. 

Dat betekent dat bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding ook rekening kan worden gehouden met bijvoorbeeld het inkomen dat de werknemer zou hebben genoten als de opzegging zou zijn vernietigd, met het antwoord op de vraag of de werknemer al ander werk heeft gevonden en met inkomsten die de werknemer in de toekomst in redelijkheid zou kunnen verwerven.

De rechter zal wel uitvoerig moeten motiveren hoe hij de hoogte van de billijke vergoeding heeft bepaald en welke omstandigheden daarbij een rol hebben gespeeld. En uiteraard zal elke rechter daar weer zijn eigen invulling aan geven. Of dit arrest dan ook echt zo revolutionair is als wordt gedacht, valt nog te bezien. Maar enig houvast is er nu, en dat willen wij u uiteraard niet onthouden!
 

Over de auteur

Juriste Miriam Ruijters | VvAA

Miriam Ruijters

Ik ben pas tevreden als u dat bent!


Mijn expertises: 

Arbeidsrecht

Ambtenarenrecht


linkedin vvaa  Bekijk mijn profiel

Neem contact op met VvAA  06 - 26 36 71 08

contactformulier  Stuur uw bericht