07-12-2011 Willemijn ten Kate, juriste bij VvAA
Willemijn ten Kate, juriste bij VvAA

Sinds 2002 is het wetgevingsproces rondom de personenvennootschappen gaande. Het wetsvoorstel Personenvennootschappen (WPv) zou de huidige wettelijke regeling voor onder meer de maatschap en vennootschap onder firma vervangen. Grote kans dat u daar de afgelopen jaren al het nodige over hebt gehoord als u uw praktijk in maatschapsverband uitoefent.

Minister Opstelten van Veiligheid en Justitie heeft echter besloten om deze wetsvoorstellen over de personenvennootschappen binnenkort in te trekken. Hij concludeert in zijn brief aan de Eerste Kamer dat de primaire doelstelling van de wetgeving - het faciliteren van ondernemers - in beide wetsvoorstellen onvoldoende tot zijn recht komt. Bovendien is er tot op heden weinig steun van de beoogde gebruikers, met name ondernemers in het midden- en kleinbedrijf. Zij hebben geen behoefte aan de nieuwe personenvennootschappen en vrezen de kosten die ermee gepaard gaan.

Te knellend?

Dit besluit van de minister kwam onverwacht en heeft het nodige stof doen opwaaien. Zo was oud-notaris en emeritus hoogleraar notarieel recht M.J. van Mourik ziedend op minister Opstelten en beschuldigde hem zelfs van wetgevingsterreur. Terwijl het besluit van de minister uit de hoek van MKB Nederland en VNO/NCW juist toegejuicht wordt.

Ik ben van mening dat het eeuwig zonde is dat deze wetsvoorstellen nu in het zicht van de haven (de wetsvoorstellen lagen al ter behandeling in de Eerste Kamer) in de prullenbak verdwijnen. Allereerst omdat de huidige wettelijke regeling uit 1838 stamt en nodig aan herziening toe is. Bovendien is deze regeling ook zeer summier en onvolledig.

De kritiek dat de nieuwe wetgeving te knellend is, kan naar mijn mening met wat aanpassingen worden ondervangen. Bijvoorbeeld door een aantal artikelen in de WPv waar niet van afgeweken mag worden, de zogeheten dwingendrechtelijke bepalingen, van regelend recht te maken. Hierdoor kunnen partijen van deze wettelijke bepalingen wel contractueel afwijken. Daarnaast is het voordeel hiervan dat de maten kunnen terugvallen op de wettelijke bepalingen. Bijvoorbeeld in het geval dat maatschapsleden (al dan niet bewust) geen regeling over uittreding in hun maatschapscontract vastleggen. De wet werkt dan eigenlijk als een soort vangnet.

Wat nu?

Nu de WPv van de baan is, zullen we het (althans voorlopig) toch moeten doen met de huidige wettelijke regeling. Zoals ik hiervoor al aangaf, is deze huidige wet erg verouderd, beknopt en onvolledig. Voor een groot deel laat de wetgever het aan partijen over om te bepalen wat zij onderling wensen af te spreken. Geldt er bijvoorbeeld bij overlijden van een maat een overnamerecht of –plicht voor de achterblijvende partijen?

Deze contractvrijheid is aan de ene kant prettig, maar aan de andere kant schuilt hierin ook juist een gevaar. Indien maten vergeten om een regeling in hun maatschapsovereenkomst op te nemen over wie bijvoorbeeld de praktijk mag voortzetten na ontbinding van de maatschap, kunnen zij niet terugvallen op de wet.

Nu de maatschap als rechtsvorm blijft bestaan, is het dus van belang dat bestaande maatschapsovereenkomsten aan een ‘check-up’ worden onderworpen en partijen zich bij het opstellen van een nieuw maatschapscontract juist laten adviseren. Een maatschapsovereenkomst blijft, ongeacht de wet die geldt, maatwerk en dient naadloos op de bedoeling en wensen van alle maten aan te sluiten, om conflicten te voorkomen.

Willemijn ten Kate is jurist bij VvAA

Contact met VvAA

Hebt u vragen? Neem dan gerust contact met ons op:

bel mij terug

Of bel: +31 30 247 47 89